OCR:ed block content:
Gemengd Bedrijf1) „Haagsche Tramweg Maatschap-
pij" (H.T.M.), te 's Gravenhage. Opgericht 28 Dec. 1926. Duur:
tot 21 April 1970. Do el: voorziening in de behoefte van openbare mid-
delen van verkeer in 's Gravenhage en omstreken, de aanleg en de exploi-
tatie en alles wat daarmede in den ruimsten zin verband houdt. De mpij.
zet het bedrijf dat tot ulto 1926 werd uitgeoefend door de H. T. M. (thans
Haagsche Buurtspoorwegen) voort, zij verkreeg daartoe van de gemeente
den Haag voor den tijd van 43 jaar concessie voor de exploitatie van stads-
net- en buitenlijnen (de concessie aan de oude H. T. M. liep 31 Dec. 1926 af
en wel met uitsluiting van ieder ander. Bij het verleenen van vergunningen
door de Gemeente voor de exploitatie van niet rechtstreeks met de ven-
nootschap concurreerende autobusdiensten zal aan haar recht van voor-
keur toekomen. Tot het bedrijf der oude H. T. M. dat wordt voortgezet be-
hoor'de verder de exploitatie van de lijnen naar Delft en Wassenaar-
Leiden. De concessie voor deze lijnen loopt tot 21 April 1970. De oprich-
ting van dit gemengd bedrijf geschiedde na onderhandelingen in verband
met den afloop der stadsconcessie der oude H. T. M. op 31 Dec. 1926. Inge-
volge deze concessie exploiteerde de H. T. M. o.m. haar rollend materieel
op de tramlijnen der Gemeente. Lijnen en rollend materieel zijn thans in
het bezit van het gemengd bedrijf, waarin tegen afgifte van ruim f 12.000.000
schuldbekentenissen aan de Gemeente, door deze werd in
gebracht: het geheele gemeentenet met bijbehorende gebouwen, ter-
reinen en magazijnvoorraden, het trammaterieel der Gemeentereiniging en
de rechten voortvloeiende uit de vergunning welke de Gemeente heeft
volgens art. 14 der vergunning voor den electr. spoorweg Station S.S .-
Scheveningen. Door de Haagsche Buurtspoorwegen (toen
H. T. M.) werden voor ca. f 10.500.000 4} pct. obligatiën en schuldbeken-
tenissen ingebracht: de Rijksconcessie tot 21 April 1970 voor de spoorlijnen
Haag-Rijswijk-Delft en Haag-Wassenaar-Leiden en autobusvergunnin-
gen, de reeds aangelegde lijnen naar Delft en Leiden met het daarbij be-
hoorende vernieuwingsfonds, het rollend materieel van stads-, buiten- en
1) B. en W. van 's-Gravenhage hebben in Juli 1935 een kleine ambtelijke com-
missie ingesteld, teneinde hen voor te lichten over de vraag: In hoeverre er termen
zouden kunnen zijn om met toepassing van art. 18 van de overeenkomst tot op-
richting van een gemengd trambedrijf, de tusschentijdsche beëindiging van dat
bedrijf per 31 Dec. 1936 te bevorderen.