|
19111 |
INDUSTRIEELE ONDERNEMINGEN 769 |
|
19112 |
len toen groot f 1000, incl. dividend 1916/17 (voorkeur 2 : 1, no. 1). Prospectus |
|
19113 |
in deel II, 1916/17. |
|
19114 |
Winstverdeeling: Na afschrijvingen en reserveeringen, allereerst f 10 per obli- |
|
19115 |
gatie van f 1000 der 5 pct. leening 1917, benevens een gelijk bedrag over elk |
|
19116 |
voorafgaand jaar, waarover deze. uitkeering sinds 2 Jan. 1937 niet heeft plaats |
|
19117 |
gehad, daarna f 20 per obligatie van f 1000 der 5 pct. leening 1926, benevens een |
|
19118 |
gelijk bedrag over elk voorafgaand jaar, waarover deze uitkeering niet heeft plaats |
|
19119 |
gehad sinds 2 Jan. 1937. Vervolgens wordt in een speciaal reservefonds gestort een |
|
19120 |
bedrag tenminste gelijkstaande met het bedrag hetwelk, doordat in het afge- |
|
19121 |
loopen jaar de aanvankelijk overeengekomen aflossingen op de obligatieleenin- |
|
19122 |
gen niet hebben plaats gehad, niet aan obligatiehouders is ten goede gekomen. |
|
19123 |
Heeft zoodanige storting over eenig voorafgaand jaar niet plaats gehad, dan |
|
19124 |
wordt ook hetgeen over dat jaar niet is gestort, ingehouden. Van het daarna over- |
|
19125 |
blijvende f 60 op elk pref. aandeel en daarna tot een maximum van f 60 op elk |
|
19126 |
gewoon aandeel. Vervolgens kan, op voorstel van commissarissen een bedrag |
|
19127 |
worden gereserveerd voor speciale doeleinden. Van de overwinst komt 25 pct. |
|
19128 |
aan de reserve en van het daarna overblijvende maximaal 13} pct. aan de directie |
|
19129 |
onder hen gelijkelijk te verdeelen tot een maximum van 63 pct. voor iederen direc- |
|
19130 |
teur, maximaal 10 pct. aan commissarissen met een maximum van 1 pct. voor elken |
|
19131 |
commissaris, 20 pct. aan de reserve. De rest aan alle aandeelhouders, met dien |
|
19132 |
verstande dat een gewoon aandeel daarvan driemaal zooveel geniet als een prefe- |
|
19133 |
rent aandeel, zijnde echter de A. V. bevoegd te beslissen, dit bedrag geheel of ge- |
|
19134 |
deeltelijk een andere bestemming te geven, waaronder begrepen een reserve voor |
|
19135 |
amortisatie van preferente aandeelen. |
|
19136 |
Ingeval van liquidatie wordt eerst op elke 5 pct. obligatie 1917 f 10 uitgekeerd |
|
19137 |
voor elk jaar dat deze uitkeering sinds 2 Jan. 1937 achterstallig is en vervolgens |
|
19138 |
op elke 5 pct. obligatie 1926 f 20 voor elk jaar dat deze uitkeering achterstallig is |
|
19139 |
sinds 2 Jan. 1937. Van het overblijvende op elk pref. aandeel f 1000 plus 6 pct. |
|
19140 |
per jaar voor dat bedrag en daarna op elk gewoon aandeel f 1000. Het dan nog |
|
19141 |
resteerende wordt verdeeld als de overwinst hiervoor vermeld, met dien verstande, |
|
19142 |
dat de dotatie aan de reserve ten goede komt aan aandeelhouders, waarbij op een |
|
19143 |
gewoon aandeel 10 maal zooveel wordt uitgekeerd als op een pref. aandeel; daarna |
|
19144 |
hoogstens 6 pct. dividend aan gewone aandeelhouders. Vervolgens kan een bedrag |
|
19145 |
worden gereserveerd voor speciale doeleinden. Van het overblijvende 25 pct. aan |
|
19146 |
de reserve; van het restant: 6§ pct. aan iederen directeur (max. 13} pct.); 1 pct. |
|
19147 |
aan iederen commissaris (max. 10 pct.); 20 pct. aan de reserve, terwijl het restee- |
|
19148 |
rende komt aan gewone en preferente aandeelhouders met dien verstande, dat |
|
19149 |
een gewoon aandeel daarvan driemaal zooveel geniet als een preferent aand. |
|
19150 |
Ter aflossing der 7 pct. leening van 1921 (zie jrg. 1928) werden uitgegeven |
|
19151 |
f 2.750.000 5 (tijdelijk min. 3) pct. hyp. obligatiën 1926 groot f 1000 |
|
19152 |
met coupons 1 Mrt. en 1 Sept. Sinds 1 Jan. 1937 wordt ingevolge besluit van obliga- |
|
19153 |
tiehouders, d.d. 28 Dec. 1936 gedurende 5 jaren, slechts 3 pct. rente per jaar be- |
|
19154 |
taald, in verband waarmede de verhandeling geschiedt inclusief de eerstverschij- |
|
19155 |
nende coupon en zonder bijberekening van rente. De resteerende 2 pct. wordt evt. |
|
19156 |
uit winst betaald (zie winstverdeeling). Aflossing op 1 Sept. der jaren 1928-1937 |
|
19157 |
resp. 70, 70, 75, 81, 86, 92, 100, 105, 112 en 119, 1 Sept. 1938-1944 telkens 120 |
|
19158 |
en 1 Sept. 1945-1952 telkens 125 obligatiën. Versterkte of geheele aflossing met |
|
19159 |
1 maand opzegging toegestaan. Aflossing kan zoowel door inkoop als door uit- |
|
19160 |
loting geschieden. De aflossing, welke eerst in 1934 drie jaren werd opgeschort, |
|
19161 |
werd in 1936 voor verdere 5 jaren opgeschort tot 1 Sept. 1942, onverminderd de |
|
19162 |
bevoegdheid om deze aflossingen op een vroeger tijdstip te hervatten. Zekerheid: |
|
19163 |
Van Oss' Effectenboek voor 1939. XXXVI1. 49 |