|
28481 |
RUBBER-MAATSCHAPPIJEN. |
|
28482 |
RUBBERRESTRICTIE. Op 7 Mei 1934 werd te Londen een internationale rubber- |
|
28483 |
restrictie-overeenkomst geteekend namens de regeeringen van Nederland, Engeland, |
|
28484 |
Britsch-Indië, Frankrijk en Siam. Deze overeenkomst loopt, na verlenging in 1938 |
|
28485 |
met 5 jaar tot en met 31 Dec. 1943 en omvat de volgende gebieden Malaya, Ned. |
|
28486 |
Indië, Ceylon, Indië (incl. Burma), Fransch Indo China, Britsch Noord Borneo, Sera- |
|
28487 |
wak en Siam, voor welke gebieden basisquota werden vastgesteld. De overeenkomst |
|
28488 |
bepaalt thans dat de aanplant in 1939 en 1940 met totaal 5 pct. mag worden |
|
28489 |
uitgebreid. Voor de Ned. Indische ondernemingen is dit percentage wat kleiner, |
|
28490 |
nl. 42%, omdat de Regeering een deel heeft gereserveerd o.a. voor aanplant |
|
28491 |
in Nieuw Guinea; herbeplanting is in 1939-1943 volkomen vrij, terwijl voor |
|
28492 |
den gerooiden aanplant 100% der oorspronkelijk voor dien aanplant gel- |
|
28493 |
dende standaardproductie wordt toegewezen. Uitvoer van plantmateriaal is |
|
28494 |
verboden. Volgens de overeenkomst is benoemd een „International Rubber |
|
28495 |
Regulation Committee", samengesteld uit delegaties der verschillende regee- |
|
28496 |
ringen. Tot leden der Nederlandsche delegatie zijn aangewezen: D. Bolderhey |
|
28497 |
en Prof. Dr. L. P. de Cosquino de Bussy en tot plaatsvervangende leden: F. |
|
28498 |
Enthoven en R.A.A. Soejono. De voornaamste bezigheid van dit comité zal zijn |
|
28499 |
het van tijd tot tijd vaststellen van het percentage van de basisquota welke de |
|
28500 |
gebiedsdeelen mogen uitvoeren. |
|
28501 |
Voor Ned. Indië werden voor de jaren 1934-1943 de basisquota vastgesteld |
|
28502 |
op resp. 357.632, 406.400, 508.000, 528.320, 548.640, 641.634, 650.271, 655.859, |
|
28503 |
660.431 en 661.447 tons van 1000 K.G. droge rubber, terwijl de grondslag voor |
|
28504 |
den uitvoer van ondernemingsrubber over die jaren resp. 208.532, 236.968, |
|
28505 |
262,442. 276.660, 287.324, 323.064, 329.737, 333.931, 337.299 en 338.010 tons |
|
28506 |
van 1000 K.G. droge rubber bedraagt. |
|
28507 |
Het comité heeft besloten, dat de vermindering der uitvoeren geleidelijk zal geschie- |
|
28508 |
den en heeft de uitvoerpercentages vastgesteld als volgt: |
|
28509 |
1934 1935 1936 1937 1938 1939 1940 1941 |
|
28510 |
pct. pct. pct. pct. pct. pct. pct. |
|
28511 |
Juni/Juli 100 pct. le kwartaal 75 60 75 70 50 30 100 |
|
28512 |
Augst./Sept. 90 " 2e kwartaal 70 60 80 60 50 80 |
|
28513 |
Oct./Nov. 80 " 3e kwartaal 65 65 90 45 60 85 |
|
28514 |
Dec. 70 4e kwartaal 60 65 90 45 75 90 |
|
28515 |
gemiddeld 87 pct. 673 62₺ 83₴ 55 581 831 |
|
28516 |
beperking 13 pct. 32} 37} 16₺ 45 414 164 |
|
28517 |
welke internationale percentages voor Ned. Indië uitvoeren toestonden voor1934-1940 |
|
28518 |
van resp. 79,668, 63,456, 59,467, 77,873, 49,357, 55,481 en ca. 77 pct. van de |
|
28519 |
standaardproducties. Het verschil tusschen de internationale en Ned. Indische |
|
28520 |
uitvoerpercentages ontstaat, doordat de som van aan Ned. Indische producenten |
|
28521 |
toegewezen standaardproducties grooter is dan het aan Ned. Indië |
|
28522 |
toegewezen Internationale basisquotum. |
|
28523 |
De standaardproducties worden vastgesteld door den Directeur van |
|
28524 |
Economische Zaken (gehoord de permanente rubbercommissie) die daarbij als basis |