|
26146 |
1070 SPOORWEGFONDSEN. |
|
26147 |
1873, en de tweede uitgifte van 12 seriën, elk à f 1.000.000 en eene serie à |
|
26148 |
f 239.000 in Januari 1888 geschiedde ter conversie van alle toenmaals be- |
|
26149 |
staande 4 pcts. leeningen. Koers van uitgifte telkens 97 pct. Houders van |
|
26150 |
aflosbaar gestelde obligatiën hadden bij de inschrijving den voorrang, daarna |
|
26151 |
de houders van aandeelen en van bewijzen van oprichtersrechten. Obli- |
|
26152 |
gatiën groot f 1000; coupons 1 Mei en 1 November. Aflos- |
|
26153 |
sing, aangevangen in 1888 bij jaarlijksche uitloting in October van 0.7 pct. |
|
26154 |
van het bedrag der leening, vermeerderend met de vrijgevallen rente, be- |
|
26155 |
taalbaar à pari November d.a.v. Vervroegde aflossing voorbehouden. Uit- |
|
26156 |
staand bedrag 1 Januari 1908 f 13.836.000. |
|
26157 |
Mij. tot Expl. v. Staatsspoorwegen; 3} pcts. leeningen |
|
26158 |
van 1890, 1891, 1892 en 1898. Leening van 1890, |
|
26159 |
f 6.000.000, in 6 Seriën van f 1.000.000; uitgifte op 1 October 1890. Bedrag |
|
26160 |
op 1 Januari 1907 f 5.307.000. Leening van 1891. Bedrag en seriën |
|
26161 |
als voren; uitgifte op 12 September 1891. Bedrag 1 Januari 1908 f 5.350.000. |
|
26162 |
Leening van 1892, groot f 15.000.000, waarvan uitgegeven f 4.000.000, |
|
26163 |
in 4 seriën van f 1.000.000; uitgifte op 1 Februari 1893. Bedrag op 1 Januari |
|
26164 |
1908 f 3.606.000. De overige seriën dezer leening bestaan uit 3 pcts. obli- |
|
26165 |
gatiën. Leening van 1896, groot f 5.000.000, in 5 Seriën elk groot |
|
26166 |
f 1.000.000, waarvan uitgegeven 2 Seriën à 100} pct. op 11 Juli 1898, en 3 |
|
26167 |
Seriën a 963 pct. op 18 April 1900. Zie hieronder. Van de eerste 2 Seriën |
|
26168 |
waren uitstaande op 1 Januari 1908 f 1.895.000. Dooreen leverbaar zijn de |
|
26169 |
obligatiën der leening van 1890, die van 1891, serie 1, 2, 3 en 4 van de lee- |
|
26170 |
ning 1892 en serie 1 en 2 van de leening 1898, terwijl de seriën 3, 4 en 5 |
|
26171 |
van de leening 1896 eene afzonderlijke noteering hebben (zie deze). Bij |
|
26172 |
vorenstaande emissiën hadden de houders van aandeelen en oprichters- |
|
26173 |
aandeelen den voorrang. De drie eerstvermelde leeningen werden alle a |
|
26174 |
99 pct. geëmitteerd. Obligatiën groot f 1.000; coupons 1 |
|
26175 |
Januari en 1 Juli. De aflossing geschiedt binnen 60 jaren, bij uit- |
|
26176 |
loting in October van 3 pct. van de bedragen der leeningen per jaar, ver- |
|
26177 |
meerderend met de door de aflossing vrijvallende rentebedragen, ter uitbe- |
|
26178 |
taling à pari op 2 Januari d.a.v. Alles behoudens vervroegde aflossing, |
|
26179 |
waartoe de Maatschappij ten allen tijde gerechtigd is. De eerste uitloting |
|
26180 |
had plaats: bij de leening van 1890 in 1891, bij die van 1891 in 1892, bij |
|
26181 |
die van 1892 in 1893, bij die van 1898: voor de seriën 1 en 2 in 1899; tel- |
|
26182 |
kens in October. |
|
26183 |
Mij. tot Expl. v. Staatsspoorwegen; 3} pcts. leening |
|
26184 |
van 1898. Deze obligatiën vormen de drie hiervoren vermelde Seriën |
|
26185 |
(3, 4 en 5) uitgegeven à 963 pct. op 18 April 1900, met voorrecht van inschrij- |
|
26186 |
ving voor aandeelhouders. Obligatiën groot f 1000 met coupons |
|
26187 |
1 April en 1 October; eveneens aflosbaar in 60 jaar door jaarlijksche amor- |
|
26188 |
tisatie van } pct., telkens vermeerderend met de vrijgevallen rente uit de |
|
26189 |
vroeger afgeloste bedragen. De uitlotingen hebben plaats in October (de |
|
26190 |
eerste in 1900) ter betaling à pari 1 April d.a.v. Van het oorspronkelijk |
|
26191 |
bedrag was op 1 Januari 1908 nog uitstaande f 2.863.000. |
|
26192 |
1900 1901 1902 1903 1904 1905 1906 |
|
26193 |
Laagste koers 94% 95 98 97 98% 97₴ 97₴ |
|
26194 |
Hoogste Koers 99 99% 99% 99% 100g 100 98₴ |
|
26195 |
Voor Hoogsten en Laagsten Koers 1906, zie index. |